In artikel 1 van haar Grondwet heeft de Orde in 2000 getracht zo’n profiel te schetsen. Dat luidt: “Een vrijmetselaar is een vrij man van goede naam die is ingewijd in een tot de Orde behorende loge of in een loge die werkt onder een door de Orde erkende Grootloge. Hij werkt samen met andere vrijmetselaren met behulp van symbolen en rituelen aan zijn persoonlijke vorming. Die symbolen en rituelen zijn door de traditie gegeven; ze worden door de vrijmetselaar naar eigen inzicht geïnterpreteerd. De gezamenlijke arbeid inspireert hem ook naar vermogen bij te dragen aan een betere samenleving. De vrijmetselaar zoekt op wat mensen verbindt en tracht weg te nemen wat hen verdeelt, opdat het ideaal van een allen verbindende broederschap gestalte kan krijgen. Daarbij aanvaardt hij een persoonlijke verantwoordelijkheid ten opzichte van de wereld, die hij ziet als een te voltooien bouwwerk waarvan ieder mens een levende bouwsteen is. Hij verricht die arbeid in het licht van een hoog beginsel, symbolisch aangeduid als Opperbouwmeester van het Heelal.”

De vrijmetselaar erkent de hoge waarde van de menselijke persoonlijkheid, de gelijkwaardigheid van alle mensen, ieders recht om zelfstandig te zoeken naar waarheid en ieders verantwoordelijkheid voor zijn doen en laten. Vrijmetselaren betrachten verdraagzaamheid en streven naar harmonie; mede daardoor kunnen de loges ontmoetingsplaatsen zijn voor mannen met uiteenlopende achtergronden. De gezamenlijke arbeid leidt tot beleving van verbondenheid van alle vrijmetselaren. Die verbondenheid wordt broederschap genoemd.”

Geef een reactie