Al sinds de klassieke oudheid wordt het vraaggesprek gebruikt als instrument om kennis en inzicht te bevorderen. Vraaggesprekken kunnen van karakter verschillen, afhankelijk van het doel dat de auteur voor ogen staat. Bij catechismussen van kerkgenootschapen bijv. is het doel onderricht in de belangrijkste kerkelijke leerstellingen en wel in een zodanige vorm dat de gelovige die zich gemakkelijk eigen kan maken. De doelstelling van de Griekse wijsgeer Socrates was een geheel andere: zijn leerlingen te leren hoe te filosoferen.
Ze mogen dan in doel en doelgroepen verschillen, toch hebben vrijwel alle vraaggesprekken één kenmerk gemeenschappelijk: ze zijn maar in zeer beperkte mate en soms zelfs helemaal niet levensecht. Immers, vraag en antwoord hebben dezelfde bron: de auteur. die zal zich in het algemeen wel gebaseerd hebben op echte gesprekken die hij met vragenstellers heeft gehad. Maar het is de vraag of en in hoeverre hun vragen ook die van zijn lezers zijn.
Als het geven van onderricht het doel is, hoeft dat voor de auteur niet zo’n probleem te zijn. Dat ligt anders bij het verstrekken van informatie. Daarbij is niet alleen de keuze van de vragen, maar ook de verwoording ervan van belang. Ook kan het willen geven van een gewenst antwoord op de formulering van de vraag van invloed zijn. En zo is er meer.
Het is wellicht in dit verband aardig te vermelden dat gebruik van het vraaggesprek voor verstrekking van informatie over de vrijmetselarij oud is. Tussen 1775 en 1780 publiceerde de Duitse filosoof en vrijmetselaar G.E. Lessing zijn gesprekken tussen Ernst, geen vrijmetselaar, en de vrijmetselaar Falk. die gesprekken waren misschien meer voor intern dan voor extern gebruik geschreven; ze hebben in ieder geval indertijd een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de maçonnieke identiteit in Duitsland.
Maar het is toch aardig te melden dat je voort werkt in een oude traditie. Overigens zijn die gesprekken veel speelser en dus aardiger om te lezen dan dit nogal zakelijke boekje. het zij zo; ook dat was maar een keuze.
Anders dan bij Lessing zijn buitenstaanders de primaire doelgroep van dit boekje. Het zijn zij die eens wat meer willen weten over die geheimzinnige vrijmetselarij, maar in het bijzonder degenen die daar persoonlijk in geïnteresseerd zijn. En misschien kan lezing ook voor vrijmetselaren zelf interessant zijn, als ze bijvoorbeeld in gesprekken informatie over vrijmetselarij geven.

99 vragenInleiding – In 1991 liet de maçonnieke uitgeverij Fama in de serie ’Beschouwingen van vrijmetselaren’ het boekje “Honderd en een vragen over de vrijmetselarij – Famamecum’ verschijnen, gevolgd door een herziene herdruk in 1992. Het werd geschreven door drs. D.J. van Dissel. Dat boekje is uitverkocht, maar er is nog steeds veel vraag naar.
Toch heeft Fama besloten niet tot een ongewijzigde herdruk over te gaan, onder meer omdat een aantal zaken inmiddels veranderd is; de wereld staat niet stil en ook de vrijmetselarij evolueert. Vooral daarom is besloten nu een nieuwe soortgelijke uitgave te laten verschijnen.
Het resultaat ligt voor u. Evenals zijn voorganger is dit boekje primair bedoeld buitenstaanders te informeren over de vrijmetselarij, maar het kan ook zeker nuttig zijn voor leden van de Orde van Vrijmetselaren, die rechtstreeks informatie willen verstrekken aan derden. Fama hoopt dat ook deze editie in een behoefte zal voorzien.

Geef een reactie